Refrein:
wij zij de veenbrigade
en trekken met de spade in ‘t veen (2x)
Waarheen we de blik ook keren:
veen en hei slechts om ons heen.
Elk genot hier te ontberen
troosteloosheid straalt van ‘t veen.
Hier op deze kale vlakte
werd voor ons dit kamp gebouwd
Daar zijn wij, toen men ons pakte
achter ‘t prikkeldraad gestouwd
‘s Morgens strekken wij in rijen
om te werken naar het veen.
Graven, in de hitte lijden,
met de wachten om ons heen.
Huiswaarts, huiswaarts, de gedachten
steeds naar ouders, vrouw en kind.
Dat geeft ons toch weer de krachten,
is wat ons aan ‘t leven bindt.
Wachten zijn steeds op hun posten
achter ’n haag van prikkeldraad.
Vlucht zal slechts het leven kosten,
geen kans hier voor ‘n veensoldaat.
Toch is er voor ons geen klagen
eeuwig kan’t geen winter zijn.
Eenmaal komen voor ons de dagen
dat we zeggen: eindelijk vrij!
Dan trekt de veenbrigade
niet meer met de spade in ‘t veen (2x)