Dinsdag 2 november zijn we allen opgeschrikt door de vreselijke moord op Theo van Gogh. Deze moord heeft zowel verbijstering, boosheid als verdriet opgeroepen. In de dagen erna volgden ook heftige discussies op televisie, in de kranten, en op straat over hoe wij in Amsterdam met elkaar omgaan.
Onder Marokkaanse Amsterdammers horen we een eensluidende afkeur over wat de moordenaar die in Amsterdam is geboren en van Marokkaanse origine is, heeft begaan. Tegelijkertijd is er bij sommigen angst over de houding van andere Amsterdammers tegenover hen. Zij zijn bang verder in het verdomhoekje te worden gedrukt. Anderen zijn bang dat hun inspanning om deel te worden van de maatschappij in deze stad, voor niets is geweest, dat ze hebben gefaald.
Onder witte Amsterdammers zijn zeer verschillende geluiden te horen. Sommigen menen dat nu gebeurd is waarvoor ze al lang bang waren: de moslims in Amsterdam willen de boel overnemen en, geholpen door terreurgroepen, zal iedereen met een afwijkende mening worden afgeslacht.
Deze Amsterdammers zagen na de dood van Fortuyn in Van Gogh iemand die als één van de weinigen durfde te zeggen waar het volgens hen op staat: overal in de stad worden autochtonen door Marokkanen weggepest. Zij vinden dat met de moord op Van Gogh niet alleen de vrijheid van meningsuiting is aangetast.
Neen, het is nu de hoogste tijd om een einde te maken aan tolerantie, gedogen en verdraagzaamheid. Al veel te lang kon er naar hun mening niet gezegd worden dat weliswaar misschien niet alle moslims, maar dan toch wel dat er velen niet deugen, en dat de meesten niet thuishoren in onze stad. Sterker nog, doordat er een taboe was om dat uit te spreken, hebben moslims jarenlang een bevoorrechte positie kunnen innemen.
Hoe erg de moord op Van Gogh ook is, en hoe naïef we misschien zijn geweest om jarenlang te veronderstellen dat het met de integratie vanzelf goed zou komen, en hoe onzeker we zijn over de vraag of terrorisme ons nu echt bedreigt, ik werp de gedachte om de verdraagzaamheid tussen verschillende Amsterdammers niet langer na te streven, verre van mij.
Ik ben het eens met de uitspraken van wethouder Ahmed Aboutaleb, en met ons ZuiderAmstelse Tweede Kamerlid Aleid Wolfsen dat we hard moeten optreden tegen extremisten en terroristen. Maar het is tegelijkertijd van ons allen in deze stad de taak om te blijven werken aan tolerantie en verdraagzaamheid, aan integratie en aan het overwinnen van onze angst voor wat vreemd is.
Deze opvatting is ook de mening van onze burgemeester Job Cohen. Dit is wat hij verstaat onder ‘de boel bij elkaar houden’. Theo van Gogh was het hier niet mee eens. In zijn laatste Metro column van 29 oktober jongstleden noemde hij Job Cohen een rasopportunist en een doortrapte cynicus, en een ritselaar met ambitie die er alles aan zou doen om de boel bij elkaar te houden.
Ik ben het wèl met Job Cohen eens.
Want ik hoop dat wij gezamenlijk een vuist maken voor een ongedeelde stad, voor een Amsterdam waar verschillende bevolkingsgroepen niet gescheiden van elkaar in aparte wijken leven, waar we verschillende geloven kunnen hebben of niet kunnen geloven, waar we onze eigen identiteit of cultuur kunnen uitdragen, waar we ons allemaal aan de wet moeten houden, waar we zonder angst voor het vreemde of voor geweld kunnen leven.
Duco Adema
stadsdeelwethouder