Agenda & Nieuws
Een overzicht van activiteiten en nieuwtjes die Stichting Kindermonument onder de aandacht wil brengen

Zus Neijssel: ridder in de orde van Oranje Nassau

“Ik doe iets, omdat ik het fijn vind”

Ze is tachtig en ze ziet slecht. Toch komt ze nog iedere dag naar het clubhuis van de speeltuin. “Wat ik kan, doe ik, zoals het krantje helpen vergaren, ik doe dat op m’n gevoel”. Vorige maand kreeg ze van wethouder Duco Stadig een lintje, als dank voor vijftig jaar vrijwilligerswerk voor buurt- en speeltuinvereniging Amsterdam Zuid. “ ’t Is natuurlijk wel leuk hoor, maar als ik het niet had gekregen, had ik het ook goed gevonden. Voor de Vereniging is het natuurlijk grandioos.”


“Het is begonnen met schoonmaken, maar al snel deed ik allemaal andere dingen, zoals de kleuterclub. Dan nam m’n man op woensdagmiddag vrij. Dan hadden we wel een stuk of zestig, zeventig kindjes. Spelletjes doen, fröbelen en natuurlijk verhaaltjes voorlezen. Er zaten natuurlijk wel boefies bij, maar het was grandioos...En de creatieve club, die kinderen waren een jaar of twaalf, dat was kleien en pitrieten. Daar heb ik toen nog les in gehad, in pitrieten. Ik heb nog een paar matjes thuis...ik kon het niet geweldig, maar ik kon het wel. Mijn schoondochter doet nu de creatieve club. Voor alle leeftijden.

Het was een weektaak. Ik ging hier iedere dag heen met de kinderen. Die vonden dat niet altijd leuk, natuurlijk, want mama ging altijd naar de Tuin, maar ja…wij vonden dat onze kinderen al zoveel hadden, we gingen altijd met ze naar buiten en zoveel andere kinderen hadden dat niet. Als we ’s avonds een vergadering hadden, moest een buurvrouw oppassen en dat vonden ze natuurlijk niet leuk. Als je jong bent, besef je niet dat iets echt nodig is. Maar nu beseffen ze dat wel. Mijn zoon is nu zelf heel actief voor de Speeltuin, hij is penningmeester en beheerder van het vakantiehuis. Mijn schoondochter is ook heel actief en m’n kleindochter is tweede penningmeester, heeft ze van mij overgenomen. Ze wonen ook vlakbij. Mijn dochter zit in de verpleging, ze woont in Hoofddorp, ze is ook heel sociaalvoelend, maar anders dan wij”.

In het clubgebouw, lichtblauwe, wollen coltrui en spijkerbroek, achter een kop koffie wil Zus best vertellen over vroeger. Over de speeltuin en het vakantiehuis, dat in 1926 werd opgericht; over haar man, verzetsheld Dick Neijssel met wie ze vierenvijftig jaar getrouwd is geweest en die in 2001 overleed.

“Het was heel erg moeilijk in het begin, want we deden alles samen. Mijn man legde de elektra aan in het vakantiehuis, dat was in Valkeveen, en ik ging daar schoonmaken. Toen kwamen daar Amsterdamse kinderen die niet veel hadden, nu zijn het alle rangen en standen die daar naar toe gaan. We bleven dan twee weken. De meeste mannen kwamen dan in het weekend naar hun vrouw toe en dan ging ik naar huis. Uitgevloerd. Ging ik twee dagen uitslapen en dan begon ik maandag weer fris. We hadden daar toen ook nog geen wasmachine, dus als het slecht weer was, ging ik hier wassen en liet ik het drogen bij de verwarming, hier in de speeltuin. We gingen met de bus naar het vakantiehuis, aangevuld met privé-auto’s, wij hadden toen zelf nog geen auto. Dat was er allemaal nog niet”. Kregen jullie nooit ruzie?

“Ruzie? Ja hoor, best wel eens. Dick, mijn man zat ook nog in een politieke partij, dus hij had het erg druk. Nee...het viel soms niet mee. Soms ging het mis en daarna ging het wel weer. Haat liefde, zoals ze zeggen. Ik kwam van de AJC en hij uit de communistische partij, dus dat botste wel eens. Ik ben geen communist geworden, ik was niet zo’ n Stalinist. Zeker weten. ’t Klikte niet met mij en die partij. Als er bij ons vergaderingen waren, vond ik dat prima, dat hield ik niet tegen, maar het klikte nooit zo met die vrouwen, want als er thuis post zoek was, zeiden ze wel eens:’Je hebt de post achterover gedrukt’, en dat is het laatste wat ik ooit zou doen. Daarom was ik niet zo op ze gesteld. Ik ben wel eigenwijs, maar niet zo...extreem.

De eerste kennismaking met de AJC was de sportbond, rode broekjes en witte truitjes. Daar bracht m’n vader me naar toe. Dan deden we gymnastiek op het ijsclubterrein, dat was op het sportveld op het Museumplein. En op 1 mei hadden we altijd demonstraties. Dat was prachtig. Ik denk dat ik tien jaar was. Daarna heb ik ook nog bij de Rode Valken gezeten, toen ik twaalf was, maar in de oorlog hield de AJC op. Na de oorlog leerde ik mijn man kennen en toen zijn we in het verenigingsleven gegaan.

Ik heb altijd wel in zijn schaduw gestaan, want hij was...en ik hoef niet zo nodig. Kijk, wat ik doe, dat deed hij ook wel met plezier, maar ik vond het echt fijn, ze hoefden mij niet naar voren te roepen. Met mensen omgaan en met kinderen, ik hoef er niets voor terug te hebben, maar ik krijg er wel warmte voor terug.

Natuurlijk ben ik wel blij met het lintje. Ergens. Nee, ik heb het niet opgehangen. Het ligt in een la, in een heel mooie blauwe koffer. Ik ben er ook wel trots op...vooral voor de Vereniging. Ik heb in m´n kamertje wel allemaal oorkondes van m’n man hangen. Van de oorlog en zo”.

Heeft u een droomwens? “Mijn droomwens is dat het vakantiehuis blijft bestaan. En de Speeltuinvereniging. Er is niet zoveel subsidie meer. Alles wordt duurder. Ziekenfondspremies...Moeders moeten blijven werken voor een beetje extra. Daardoor is het moeilijk om aan vrijwilligers te komen.

Ik kwam altijd erg op voor allochtonen. Dan zeiden ze: ‘O, daar heb je tante Zus weer’, maar nu denk ik soms wel, ik moet een stapje terugdoen, niet altijd zo voor ze op de bres springen. Discriminatie? Nee, dat is hier gelukkig niet. En dat zouden we ook niet accepteren, denk ik. Je mag best een andere mening hebben. Maar je bent hier voor één doel en dat moet je respecteren”.

Heet u echt Zus? “Ik heet eigenlijk Anna. Mijn broer werd Broer genoemd en ik Zus. Dat deed je vroeger. Mijn man stelde me hier bij de Vereniging voor als tante Zus en dat is altijd zo gebleven. Mijn vriendin uit de AJC die ik nog steeds zie, noemt me wel An. Zij belt mij nu af en toe, want ik kan niet meer bellen, omdat ik het niet kan zien.

Ik herken hier de mensen aan hun stemmen. En iedereen staat altijd voor me klaar. Dat krijg je er dan voor terug. De weekenden zijn soms moeilijk, want dan is het hier dicht, maar mijn kinderen en kleinkinderen zijn ook heel lief voor me. Dat heb ik toch maar allemaal. Er zijn zoveel mensen die niets meer hebben. Ik kan alleen niet zo goed zien, maar als alle kindjes plezier hebben, als Sinterklaas komt, dan zijn dat toch leuke dingen. En dan kruipen ze nog steeds bij me op schoot. Het is toch een deel van je leven. Ik ben hier gelukkig doorgegaan, anders was ik nu misschien ook wel dood.

Tien jaar geleden kreeg ik samen met Dick medaille van de stad Amsterdam voor veertig jaar vrijwilligerswerk toen van wethouder Minie Luimstra. Toen was ik meer onder de indruk, ik was emotioneler. Misschien begin ik er aan te wennen...”.

Nora Kouwenhoven


Nora Kouwenhoven is een collega van me op de Hogeschool van Amsterdam. Ze heeft Nederlands gestudeerd en wilde eigenlijk ook wel journalist worden. Omdat het voor Dick toch wat moeilijk is een stuk over zijn moeder te schrijven, heb ik dat aan Nora gevraagd. Nora en Zus hebben in de speeltuin zeer geanimeerd gesproken. (Henk ’t Hooft)