Gekluisterd aan bed en rolstoel afhankelijk van anderen leeft
hij in de waanzin van Parkinson en dementie. De dokter is de
kazernecommandant. Ik ben soms zijn broer, soms de vijand. Vaak
als ik ‘s avonds bij hem wegga zegt hij; “Zet mijn bed maar weer
in de kelder , want ze gaan bombarderen vannacht.”
Wanneer de mist even optrekt blijk hij te worstelen met lang
verzwegen vragen: -Heb ik het goed gedaan? -Had ik het anders
moeten doen? Op goede dagen vertelt hij met horten en stoten
heroïsche verhalen uit de tijd van de bezetting. Zij helpt hem
feit en fictie uit elkaar te halen en hoort meer herinneringen
dan haar lief is, want weggestopt, want o zo pijnlijk.
Afgelopen zaterdag, in een door Koninginnedag verlaten
ziekenhuis, zat ik met hem aan de Oranjebitter. Eerder die
middag wilde hij nog met alle geweld naar zolder want zijn
Koningin zou spreken over de radio. Maar nu was hij rustig en
helder. Na de eerste slok vraagt hij; “Wat had jij gedaan?” Ik
weet het werkelijk niet. Had ik een distributiekantoor durven
overvallen? Had ik de vijand durven doden? “Wat had jij gedaan?”
Had ik me als een mak schaap weg laten voeren? Was ik solidair
geweest of had ik duistere kanten in mezelf ontdekt? “Wat had
jij gedaan?” Had ik durven onderduiken? En wat als ik zelfs daar
de moed niet voor had kunnen vinden?
Zijn hand, voor even rustig ligt in de mijne, zijn glas nog
halfvol. Ik zoek zijn ogen en zeg;
“Ik had wie me lief was beschermd met mijn liefde, zoals jij!
Ik was opgekomen voor wat weerloos was, zoals jij! Ik had
gevochten tegen elke onderdrukking zelfs tegen beter weten in,
zoals jij! Ik had een lied geschreven dat de wereld veranderde.
Ik had mijn stem geleend aan de stemlozen en gezongen, gezongen,
tot er geen vijand meer over was, zoals jij!”
Hij leegt zijn glas. En vlak voor ie zich terugtrekt in zijn
eigen wereldje zegt ie; “Dan kan ik vannacht in alle rust en
vrijheid slapen omdat er mensen zijn zoals jij!”