Veel van de mensen die mij mijn geweten gaven zijn er niet meer.
Geen indringende verhalen van ooggetuigen die mij mijn vrijheid doen beseffen.
De fakkel is doorgegeven. Hoe houd ik hem brandend?
Ik lees de stroom herinneringsliteratuur en bekijk de onuitputtelijke bron van documentaires:
‘het nachtelijke luchtalarm, de voedselbonnen en de foeragetochten naar de boer, de onderduik, het werken in Duitsland, de weggevoerde buren, evacuatie, deportatie, verraad, executies, de laatste Duitsers, de eerste Canadezen.
Het haalt het niet bij een persoonlijk verteld verhaal.
Dan kom ik jou tegen, onverwacht, zoals het leven.
Na wat aarzeling – ik huiver nog wat voor tehuizen- ga ik bij je op bezoek en
we spreken dezelfde taal!
Op een keer houd je een vooroorlogse vergeelde foto in je hand. Zo’n oer-Hollands kiekje; jij met een stoere jongen op het strand.
Je hebt van hem gehouden, zeg je, heel je leven lang.
Je hebt hem liefgehad met al je gedachten, heel de oorlog bang
om die liefde uit te spreken.
Wie kon je nog vertrouwen in die tijd?
Dicht bij elkaar keken jullie naar de lichtspoor-munitie tegen de nachtelijke hemel.
Tijdens bombardementen in het duister van een benauwde schuilkelder sloeg hij een arm om je heen. Bang genoeg om geen angst meer te hebben voor wat men van deze liefde zeggen zou. En jullie spraken af:
We wachten tot we weer vrij zijn. Het kan nu niet lang meer duren!
Met duizenden andere Nederlanders werden jullie gedwongen tewerkgesteld in Duitsland. In elk geval gingen jullie samen.
Werken van zes uur ‘s ochtends tot zes uur ‘s avonds op twee boterhammen, een halve liter lauwe koolsoep, soms een kroes koffie. Jullie hielden elkaar in leven. Jij spaarde het brood uit jouw mond omdat hij meer nodig had dan jij.
In koude winterse nachten als iedereen warmte zocht bij elkaar, zeiden jullie zachtjes fluisterend: Wacht maar tot we vrij zijn. Het kan nu niet lang meer duren!
En eens was er die zomernacht waarin jullie, overmoedig, buiten keken naar de volle maan. Je zegt nog steeds zijn hand te voelen in zijn nek, het tederste gebaar ooit.
Maar, hij werd zwakker, hij werd ziek.
In een werkkamp zonder enige medische verzorging betekende dat de dood of op transport. En wat was het verschil?
Zijn laatste brief laat je me zien.
Je kent de inhoud uit je hoofd.
‘Houd vol’, schreef hij, ‘houd moed.
Het kan nu niet lang meer duren, dat heb ik je beloofd.’
En je hield het moedig vol met het vooruitzicht later bij hem te kunnen zijn. Jij overleefde deze hel. Moe, mager, ziek en alleen keerde je terug naar een gehavend vaderland.
Hij niet.
De vrijheid deed pijn.
‘Hoeveel liefdes zijn er niet geleden in die tijd?’, zeg je zacht,
‘en nog, op plaatsen waar men al zo lang op vrede wacht!?’
‘Hoeveel geliefden hebben niet gestreden in die tijd, en tevergeefs gewacht
en nog, op andere tijden, een einde aan de lange nacht!?’
Je bergt de foto’s en de brieven weg en zegt:
‘Ik daag je uit
Onmiddellijk de Liefde te verklaren
voor elkaar
voor het leven
hier en nu
in alle vrijheid
in alle culturen.
Je weet immers nooit hoe lang
de vrede nog zal duren!?’