Agenda & Nieuws
Een overzicht van activiteiten en nieuwtjes die Stichting Kindermonument onder de aandacht wil brengen

4-Mei herdenking 2009 Rivierenbuurt

Chris Moll - Tijdgetuige

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
en vóór den ochtend van haar bloei vergaan.

In het boek over mijn leven staan veel bladzijden over de oorlog. Ik lees er een van.

Wij reden Amsterdam binnen langs Amstelstation en over de Berlagebrug. “Weet je”, zei ik tegen onze kinderen achterin de auto, “ zo kwamen de Duitsers na de capitulatie van Nederland in 1940 ook. Ze reden de Amstellaan af en gingen verder over de Noorder Amstellaan. Er stonden veel mensen langs de kant. Ik was bijna negen jaar oud en ik stond bij het Daniel Willinkplein; enkelen strekten hun arm als ‘hitlergroet’. Af en toe kwam er een Hollands militair voertuig met Hollandse soldaten, dat hoorde je van ver, ze werden toegejuicht en toen zij de Rijnstraat richting centrum gingen, werden er bloemen naar hen gegooid”.

“10 mei 1940, de oorlog begon, er heerste chaos in de Rivierenbuurt. In mijn straat – de Kinderdijkstraat - werden NSB’ers opgehaald, ik zag een luchtgevecht waarbij een jager werd geraakt en de piloot zich met parachute probeerde te redden, sirenes die het onveilig loeiden en mensen die een schuilplaats zochten. Na vier dagen kwamen de NSB’ers terug, in de straat rook het naar gas, er waren Joden die zelfmoord pleegden of het probeerden om aan de vervolging te ontkomen veel ambulances met hun taa toe taa toeoe in de buurt”. Schrik ik nu daarom zo, als ik een ambulance hoor?

“NSB’ers werden brutaler: De WA liep op zondag door de straten schreeuwend WA marcheert……

Langzamerhand werd de invloed van de Duitsers merkbaar. Allerlei beperkende maatregelen werden genomen. Persoonsbewijzen ingevoerd en als je Joods was een grote J er in”. De Joden werden van werk uitgesloten en ook van het gewone maatschappelijke leven. En ik vertelde verder: “Op een dag zat mijn juffrouw op de Vondelschool huilend handwerkles te geven. Ik wist toen nog niet zo duidelijk waarom. Maar korte tijd daarna was zij van school verdwenen, evenals mijn meester, die met een Joodse vrouw getrouwd was. Ineens moest ik naar een ander schoolgebouw in de Dintelstraat en gingen we met een kleinere klas verder, de Joodse kinderen moesten naar de nu Joodse Vondelschool en Michel de Klerkschool. En herfst 1943 konden we weer terug naar de Jekerstraat”.

Bij de hoek van de Rijnstraat zei ik tegen de kinderen: “Kijk, daar woonden we later en ’s avonds na sperrtijd reden de trams piepend door de bocht af en aan. Van oma mocht ik niet naar buiten kijken, want de trams waren volgepropt met Joden, die naar de Rietlanden of de Hollandse Schouwburg werden gebracht. ’s Nachts schrok ik wakker: luchtafweergeschut, zoeklichten die een vliegtuig gevangen houden, geknal”.

Ik schrik nog steeds als een vliegtuig laag overkomt. En van het onweer dat dondert.

En toen op een avond stonden ineens twee burgers bij ons in de gang: huiszoeking! Alles werd bekeken, in kasten, onder de bedden. In ons eigen huis je persoonsbewijs laten zien, gelukkig de radio-kristalontvanger zagen ze niet.

Dáárom controleer ik ’s avonds wel driemaal of de voordeur op het nachtslot is!

En ik vertelde verder: “In 1943 woonden we in de Smaragdstraat, en natuurlijk toen het al sperrtijd was en donker, ging de bel langdurig, we schrokken wakker en stonden te trillen van angst en de Amsterdamse politie stond voor de deur. We wisten dat ze voor de joodse buren naast ons kwamen. Wat te doen? Open doen?? We hoorden door het gestommel dat ook bij de bovenburen gebeld was, wie het eerste de buitendeur open deed, dat weet ik niet meer. De joodse buren werden door de Amsterdamse politie meegenomen. Glurend door het raam en met een gevoel van schuld, zagen we hen gaan: vader, moeder en de twee zoons van 14 en 16 jaar, op de rug keurig gemaakte rugzakken met een deken opgerold er op, in het maanlicht lopend richting Amsteldijk”. “De volgende woensdagmiddag ging ik met oma mee naar de Hollandse Schouwburg - door de Duitsers cynisch Joodse Schouwburg genoemd - om hun een pakje te brengen. Oma moest veel praten om binnen te mogen, tenslotte mocht dat, maar haar persoonsbewijs moest ze afgeven. Eng was dat want je wist niet of je het terugkreeg. Binnen werd de familie naar ons gestuurd; ik zag - niet begrijpend - een chaos van door elkaar lopende mensen, een beeld dat ik nooit vergeten ben. Oma had moeite om haar persoonsbewijs terug te krijgen. Heel angstig!” U begrijpt waarom ik tegen het dragen van een identiteitskaart ben! Ik durf niet naar het monument in de Hollandse Schouwburg te gaan.

Dikwijls zag ik een agent, soms een burger op de hoek: controle persoonsbewijs, Amsteldijk, Berlagebrug, fietstas openmaken, voedsel dat je voor dierbare zaken geruild hebt: werd afgepakt!

Word ik dáárom opstandig als ik een uniform zie?

Is al die angst veroorzaakt door de beelden van toen, of is het angst omdat ik bang ben het wéér mee te maken?

In de jaren na de oorlog werd ik mij in mijn groei naar volwassenheid bewust wat vrijheid is, wat het is om in vrijheid jezelf te kunnen zijn en verantwoordelijk te zijn voor wat je denkt en doet.

“Weet je”, zei ik tegen onze kinderen achterin de auto: “wees je zelf, neem de verantwoordelijkheid voor je eigen daden en strijd en vecht voor de vrijheid en koester de vrijheid!!! “.

En die kinderen achterin de auto zijn inmiddels volwassen, met een eigen identiteit, verworven in de vrijheid zichzelf te zijn.

Chris Moll