Stichting Kindermonument

Stichting Kindermonument

Gaaspstraat 8
1079 VE Amsterdam
020 - 44 202 96
www.kindermonument.nl

postbank: 4807654

Bestuur

Het bestuur in vergadering
Jan van Willigenburg (waarnemend voorzitter)
Henk Degenhart (penningm.)
Joost Verbeek (secretaris)
Dick Neijssel
Jan Roomer

Webontwerp

Yohan Creemers (Ylab)
Sanne 't Hooft

Stichting Kindermonument
heeft als doel om jongeren te informeren over de gevaren van racisme, fascisme en antisemitisme.

Stichting Kindermonument

Persoonlijke herinnering Dick Scheffer

Isaäc Komkommer - artiestennaam Dick Scheffer

De acteur Dick Scheffer was één van de hoofdmotors van het tot stand komen van het monument "Markt voor Jooden" en tevens voorzitter van de werkgroep. Hij bestuurde de werkgroep met een lach en een traan maar vooral met veel liefde. Op maandag 24 november - kort na de onthulling van het monument - tijdens filmopnamen in Huis ter Duin in Noordwijk overleed Dick Scheffer aan een hartaanval.

Onderstaand de persoonlijke herinnering van Dick Scheffer die hij uitsprak bij de onthulling van het monument, gepubliceerd in tijdschrift 'de Koopman' - december 1986.


Vandaag sta ik hier niet als Dick Scheffer

Vandaag sta ik hier niet als Dick Scheffer , voorzitter van de werkgroep "Markt voor Jooden", ik sta hier vandaag zeker niet als Dick Scheffer, toneelspeler, nee, vandaag voel ik mij voor alles een kind van het oude Amsterdamse Jodendom: een overleven de, een oog- en oorgetuige van de grote ramp die zich 45 jaar geleden over ons, Joden heeft voltrokken. Dick Scheffer bij de onthulling van monument "Markt voor Joden" op 3 november 1986. Naast hem Jos Wagenaar.Juist vandaag en op deze plek heb ik er behoefte aan om U een voorval te vertellen uit mijn jeugd; een voorval, dat zo een geweldige indruk op mij heeft gemaakt, dat het in menselijk opzicht een morele toetssteen voor mijn latere leven is geworden.

57 jaar geleden ben ik als Isaäc Komkommer geboren in het hartje van de oude Amsterdamse Jodenbuurt. Mijn ouders hadden daar op de hoek van de Foeliestraat en de Foeliedwarsstraat een klein kruidenierswinkeltje, in de volksmond ook wel "Sjtinkeltje" genoemd. Mijn vader en moeder werkten dag en nacht om mij ooit een beter bestaan te kunnen bieden. Ondanks de bittere armoede in onze buurt heb ik een veilige, warme kindertijd gehad: Iedere zondagmorgen met mijn vader naar de Jodenhoek, voor mij als jochie van 8 á 10 jaar een feest, een fascinerend spektakel: de man met de gedresseerde vogeltjes, het vlooientheater, de standwerkers, de snoepstalletjes, het was kermis, circus, variété, revue, alles tegelijk. Misschien is daar mijn liefde voor het theater wel geboren.

Op zondagmiddag naar Heck op 't Rembrandsplein, waar ik onder het genot van een "chineesje" met hoogrode konen van opwinding met mijn ouders naar een zigeuner- of damesorkest zat te luisteren. En dan op maandagmiddag met mijn moeder naar 't Waterlooplein, waar ik, vaste prik, altijd een "spatsie" van Mon- tezinos kreeg.

Tja, aan al deze verrukkingen kwam na 10 mei 1940 langzaam maar zeker een einde. Ik hoef de meeste onder U niet te vertellen, wat er daarna is gebeurd. U weet het allemaal. U weet hoe de Joden door de Duitse bezetter als paria's werden geïsoleerd; dat het ons verboden werd met tram, trein of bus te reizen. U weet, dat het ons verboden was nog langer theaters, musea, concertzalen of cafés te bezoeken; op openbare markten te kopen of te verkopen. U weet, hoe het Joodse kinderen verboden werd in parken, zwembaden of speeltuinen te komen. U weet het allemaal!

En toch wil ik u nog iets vertellen over een dag in februari 1941. Een dag zo belangrijk, dat hij mijn latere doen en denken voor een groot deel heeft bepaald! Een dag die begon als alle anderen: 's morgens vroeg vóór het naar school gaan mijn vader helpen in de winkel, de luiken voor de winkelramen weg halen, terwijl buiten lange rijen fietsers met kruikjes en broodtrommeltjes achterop naar hun werk reden, op weg naar de Tolhuis- of Valkenwegpont, op weg naar de scheepswerven en de fabrieken in Amsterdam Noord. Jaar in, jaar uit, het zelfde vertrouwde beeld. En dan opeens, als ik op 't punt sta om naar school te gaan, zie ik die lange stroom fietsers vanaf de Prins Hendrikkade weer terugkomen. In plaats van, zoals altijd aan het einde van iedere werkdag, de eindeloze rij fietsers vermoeid huiswaarts keert, zie ik nu, om half negen 's morgens die mannen in drommen langs fietsen, niet vermoeid, niet uitgeblust, nee, opgewonden, opstandig!

Ze schreeuwen allemaal dingen, die ik niet begrijp. Ik roep mijn vader, die het schouwspel verbijsterd gadeslaat. Hij vraagt aan één van die mannen wat er aan de hand is. De man gaat voor mijn vader staan in een onverzettelijke houding, die ik later terug zal vinden in "de Dokwerker" van Mari Andriessen. Woedend en gelukkig tegelijk kijkt hij ons aan: "Het werk gaat plat, we staken. We pikken het niet meer, dat die rotzakken jullie zo behandelen!" En dan fietst hij door. Ik kijk naar mijn vader, die trillend zijn armen om mij heen slaat en begint te huilen. Ik hoor hem stamelen: "Dit is de mooiste dag van mijn leven". Ik begrijp 't niet. Ik had mijn vader nog nooit zien huilen en zeker niet van geluk. En staken deed je toch alleen maar om meer geld, om meer loon te krijgen?

Jaren later besefte ik pas ten volle hoe uniek, hoe groots het was wat er toen gebeurde. Ik lees een boekje van Sal Santem, getiteld "Jullie is Jodenvolk", een uitdrukking, die vaak door Joden zelf mistroostig gebezigd wordt om aan. te geven, hoezeer men zich door de eeuwen heen apart gezet heeft gevoeld. Want geloof me, lieve mensen apartheid is geen Zuid-Afrikaanse uitvinding: Wij hier, en jullie, Joden daar! Wij hier, en jullie negers, daar! Wij hier, en jullie gastarbeiders daar!

En dan, op een stralende februaridag, 45 jaar geleden, zijn daar ineens de Amsterdamse arbeiders, die pal staan voor hun Joodse "gabbers". Onze pijn is ook hun pijn, ons verdriet is hun verdriet. En ineens weet ik waarom mijn vader toen gehuild heeft van geluk. Wij stonden niet alleen; voor de gewone Amsterdammer waren wij geen paria's, maar mensen zoals zij. Daarom, lieve mensen wil ik nergens anders wonen. Daarom ben ik er trots op een kind van deze stad te zijn. Mokum:

Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig.

Daarom weet ik ook zeker, dat de boodschap van ons "Kindermonument" door onze jeugd hier begrepen zal worden.

Vechten voor een wereld met een menselijker gezicht is niet zinloos! We zijn het verplicht aan al die mensen, die hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid; aan al die mensen, waaronder mijn familie, die zijn weggevoerd en in de kampen vermoord zijn. Als een eresaluut en ter nagedachtenis aan die mensen wil ik eindigen met een fragment uit het boek van Meyer Sluyser "Voordat ik 't vergeet":

"Eén ding staat vast: Ik zal ze nooit vergeten: de kleine neringdoenden, de sappelaars, de zwoegers, de steuntrekkers. De straatventers op Uilenburg, Valkenburg, Rapenburg. De marktkooplieden en standwerkers op zondagochtend in de Amsterdamse Jodenhoek: IJssies van Montezinos! Gepelde eieren, niet met de handen aangeraakt! Karootje in 't zuur!

Tja, vergeelde foto's, verre beelden uit een verwoest verleden. De Jodenbuurt is verdwenen, het Waterlooplein het plein niet meer. En toch dit is mijn grond, mijn braakliggende land. De wortels zitten dieper dan je denkt.

8 mei 1945

Amsterdam viert zijn bevrijding in een stralende zon en in een zee van vlaggen. Ik dwaal door een verlaten, door een spookachtige Jodenbuurt. Op het Waterlooplein staat een man voor een halfvernielde garage. Die garage was vroeger zijn loods. We kijken elkaar aan en we herkennen elkaar. Hij doet de deur van zijn loods open en ineens begint hij te huilen, drie bange jaren heeft hij in de Achterhoek ondergedoken gezeten. Fietsend, liftend en bedelend is ie in drie dagen tijd naar Amsterdam, naar zijn Mokum teruggekropen. Drie dagen pas is de vrijheid oud en hij is alweer terug op zijn Waterlooplein, op ons Waterlooplein. We zijn weer thuis !!!"

Dick Scheffer