Hij groeide op in een gezin, dat in de crisisjaren
afhankelijk was van de steun. Geld voor nieuwe kleren was er
niet. In plaats daarvan droeg hij afdankertjes en ondergoed
dat door de gemeente met andreas-kruisjes was gemerkt om
doorverkoop te voorkomen. Het sociale onrecht, dat hij als kind
voelde, was één van de drijvende krachten in het leven van de
Amsterdamse monteur, communist, verzetsstrijder en
speeltuinwerker Dick Neijssel.
Zijn wieg stond in de armenwijk Kattenburg, maar 15 jaar oud
verhuisde hij naar de Rivierenbuurt, een relatief nieuwe wijk
aan de zuidkant van de stad. Neijssel's leven speelde zich daarna
grotendeels af op een vierkante kilometer. In die beperkte
ruimte had hij echter een aandeel in twee historische
gebeurtenissen - met in beide gevallen de Amsterdamse tram als
middelpunt.
In de vroege morgen van 25 februari 1941 postte de 19-jarige
Neijssel met andere communisten bij de (vlak bij zijn huis
gelegen) tramremise in de Lekstraat. Als de tram plat ging, zo
redeneerden de aanstichters van het protest tegen de
jodenvervolging, zou de rest van Amsterdam volgen. "Het
fascisme - voelden we - is aan te pakken", blikte Neijssel
later terug. "En dat gevoel is nooit meer bij me verdwenen,
nooit." De jonge fietsenmaker was de rest van de oorlog
actief in een lokale verzetsgroep van de CPN.
Na de oorlog vond Neijssel werk als monteur in de naburige
tramwerkplaats. Daar legde hij op 31 maart 1955 met ruim 4000
Amsterdamse ambtenaren opnieuw het werk neer, dit keer voor
loonsverhoging. De gemeente zette het leger in om de staking te
breken en ontsloeg op twijfelachtige gronden 62 'opruiers',
onder wie Neijssel. Dat hij en enkele andere ontslagenen een
prominente rol hadden gespeeld bij de heldhaftige
Februaristaking, gold niet als verzachtende omstandigheid in deze
jaren van de Koude Oorlog. Pas in 1985 werden de ontslagen
stakers in ere hersteld. "Dertig jaar te laat",
verzuchtte hij in het boekje 'Amsterdam-Zuid in
oorlogstijd'. Zijn kinderen waren trots ondanks het ontslag
van hun vader. Zoon Dick jr. schreef ooit: "Kinderen
krijgen toch wat van huis mee. Wat zijn zij gelukkig de kinderen
van een staker te zijn en niet van een maffer".
Na de Hongaarse Opstand van 1956 en de partijscheuring van
1958 keerde Neijssel de CPN de rug toe. Hij stortte zich met
extra vuur op een andere grote passie, het speeltuinwerk. Van
1950 tot aan zijn dood was Neijssel de ziel van de Buurt- en
Speeltuinvereniging Amsterdam Zuid - die was gevestigd in de
Gaaspstraat naast het complex van de Gemeentetram.
"Wij hebben hem leren kennen als iemand die zich vele
jaren heeft ingezet voor onze jeugd en zullen ons blijvend laten
leiden door zijn idealen", stond afgelopen week te lezen in
een rouwadvertentie van alle speeltuinvrienden en
-vriendinnen'.
Net als veel verzetsmensen kon 'Opa Dick' het verleden niet
laten rusten. De speeltuin in de Gaaspstraat fungeerde tijdens
de oorlog enige tijd als Joodse markt. De Joodse kooplieden en
hun Joodse klanten werden namelijk geweerd van de andere
markten. Ter nagedachtenis aan deze episode richtte Neijssel in
zijn speeltuin een Kindermonument op. Op deze plek bewezen de
vrienden van 'Opa Dick' hem gisteren de laatste eer. De
rouwadvertentie van de familie was veelzeggend. "De
oorlog 1940-1945 is voor hem eindelijk voorbij".