De schuur
Ik mocht niets zeggen omdat het oorlog was. De schuur was verboden terrein, mijn vader was daar met uitvindingen bezig.
Op een dag vroeg ik hem of ik zijn uitvinding mocht zien.
Hij nam me mee de schuur in en bleef voor een potkachel staan. Er stond een pannetje op te pruttelen. In het pannetje zaten kleine boontjes, zag ik. Ik kon ze niet goed thuis brengen.
Ik zei: “dat is geen uitvinding dat is eten”.
Vader pakte een schep en begon kolen weg te scheppen. Er ging een luik open en er kwamen twee hoofden van jongens uit het gat. Ze praatten wat met me en vroegen of ik rond wou draaien. Dat deed ik.
Ze leefden onder de schuur in onze tuin. Ik had wel eens gezien dat mijn vader hout in de schuur bracht, een paar dagen later was het weg. Ik denk dat ze het daarmee een beetje bewoonbaar hebben gemaakt.
Dit alles bracht bij mij het besef hoe erg oorlog is. Ik was toen 9 jaar.
Ik heb nog heel veel andere dingen meegemaakt. Toen ik na de oorlog alles aan mijn familie vertelde, geloofden zij mij niet. Omdat ik nog een kind was. Dat vond ik heel erg.
Mijn vader Willem Dinkgreve
Mijn vader had in de schuur van onze tuin Joden laten onderduiken.
Wij woonden in Santpoort en hij werkte op het gemeentehuis in Haarlem.
In Santpoort is later een laan naar mijn vader genoemd de Dinkgrevelaan, achter de kerk – de stopnaald.
Omdat mijn vader verzetswerk deed is hij een paar keer gearresteerd. Er werd bij ons huiszoeking gedaan, alles werd overhoop gehaald. Mijn vader wist wel een paar keer te ontsnappen, maar uiteindelijk is hij toch naar een concentratiekamp gebracht (Buchenwald), daar is hij overleden.
Toen mij vader gevangen was genomen, maakte ik me zorgen om de Joodse familie die in de schuur ondergedoken zat.
Ik vroeg mijn moeder of ze een pannetje met eten in de schuur wilde zetten voor mijn vader, als die ontsnapte. Eerst zei ze nee, maar later deed ze het toch.
De volgende dag was het pannetje leeg en mijn moeder liep gillend door de schuur om mijn vader te roepen. Ik was op het luik gaan staan. Ik was heel bang dat mijn moeder dat zou
openmaken. De Joodse familie heeft er nog een week gezeten, zonder eten. En toen zijn ze door verzetsmensen naar een ander adres gebracht.
Kamertje onder de grond
Toen kwam er iemand naar mijn moeder toe en vroeg of ze een gat in de tuin mochten
graven. Dan kon mijn vader daar in vluchten als hij zou ontsnappen.
Ik voelde meteen dat het van de Duitsers kwam, maar mijn moeder vond het toch goed.
Toen ik met mijn zusje uitschool kwam liepen er allemaal Duitsers in onze tuin. We waren zo bang dat ik met mijn zusje bij de buren naar binnen ging. De volgende dag waren de Duitsers nog aan het graven.
Een paar dagen later werd mijn moeder in de tuin gevraagd, ze lieten haar een klein luikje zien waar mijn vader zich door zou kunnen laten zakken naar een kamertje onder de grond. Ze vroegen ook een krukje en wat tekeningen van ons om aan de muur te hangen. De volgende dag ging ik op onderzoek uit. Het kamertje was onder de seringenboom en was heel klein twee bij twee meter.
Toen kwamen er een Duitser en een Nederlander binnen met een fototoestel. Ze wilden me fotograferen. Wat ik uit hun gesprek kon halen was dat zij die foto aan mijn vader zouden laten zien. Ze zouden dan tegen hem zeggen: let er wel op, als je weer ontsnapt, dan hebben we je dochter. Ik was doodsbang
Sprokkelhout
Een paar jaar terug heb ik een stevige schutting van mijn buurvrouw tot sprokkelhout vertrapt.
Op dat moment wist ik niet wat ik deed en ook niet waarom. Later besefte ik dat het me deed denken aan het kamertje in onze tuin waar ik zo doodsbang ben geweest.