Speeltuin Amsterdam Zuid
Aan de Gaaspstraat
| Het terrein van deze speeltuin werd
van 1 november 1941 tot 14 augustus 1943 gevorderd als Markt voor Joden. |
 |
Een ijsje eten
Na de wandeling weer terug in de speeltuin. Nu even heerlijk uitrusten. Of even lekker spelen. Het klimrek in of schommelen.
Even een ijsje of wat drinken.
De speeltuin in de Gaaspstraat is er voor klein en groot. Grote mensen spelen natuurlijk anders dan kleine. Zij klaverjassen bijvoorbeeld terwijl de kleintjes slapen. De kinderen springen
touwtje, schommelen, voetballen en spelen nog veel meer spellen. Te veel om op te noemen.
Wist je dat:
- die speeltuin al meer dan 80 jaar bestaat!
- er iedere dag in de speeltuin iets te doen is.
- de meeste mensen die er werken niet betaald worden.
- iedere schooldag kinderen van de Catharinaschool tussen de middag er hun boterhammetje opeten (of soms ook wel een patatje).
- kinderen er na school worden opgevangen omdat hun mama en papa moeten werken.
- tante Corrie en tante Dora altijd voor de kinderen klaar staan.
- Sinterklaas ieder jaar een bezoek aan de speeltuin brengt.
- er een bloeiende judoclub is die ieder jaar een toernooi organiseert.
- er ieder jaar een groot 5 mei bevrijdingsfeest is voor de kinderen.
- er iedere maand kinderbingo, kinderdisco, en knutselmiddagen gehouden worden.
- er nog veel meer activiteiten voor kinderen en volwassenen worden georganiseerd, het hele jaar door.
Zo zie je, er wordt veel voor de kinderen maar ook voor de volwassenen gedaan. Het is voor de buurt heel fijn dat de speeltuin er is. Het is een tuin in de stad.
Markt voor Joden
Die tuin is er nu voor iedereen. Dat is niet altijd zo geweest. In de tweede wereldoorlog mochten Joodse kinderen niet meer spelen in de speeltuin. Dat was gemeen.
Erger nog: De Nazi’s hadden de speeltuin afgepakt om er een jodenmarkt van te maken. Die markt was de enige plek waar de Joden nog iets konden kopen. In gewone winkels mochten ze niet meer komen.
Het allerergste was dat Duitse soldaten met overvalwagens de hoeken van het plein afzetten en de Joodse mensen die op de markt waren gevangen namen en naar de vernietigingskampen vervoerden.
Zo zie je maar: er is heel veel gebeurd in deze speeltuin.
Bram vertelt
Herinneringen aan de speeltuin
A.A. (Bram) Mulder woonde vanaf zijn geboorte in 1928
tot hij in 1947 in militaire dienst ging in de
Rivierenbuurt. Zijn herinneringen uit die tijd heeft hij
opgeschreven: over de speeltuin (Gaaspstraat); hoe je
als jongen van dertien ook al de haat in je voelde
opkomen tegen de bezetters (Gevecht aan de Amstel) en de
herinneringen aan zijn vriend Japie Wolf (Japie).
Je kunt met Bram Mulder in contact komen via
a.a.mulder@quicknet.nl
Gaaspstraat
In de Gaaspstraat had je “De Speeltuin”. Hier
speelden we voor de oorlog en waren er een figuurzaag-
en later timmerclub. Een zekere heer Peiters (zo heette
hij, geloof ik) leerde ons de fijne kneepjes van
houtbewerking. Met zaag, hamer en beitel timmerden we
bijvoorbeeld een boekenkastje in elkaar. Heel leuk en
leerzaam was dat. ’s Zaterdags was er film in het
clubgebouwtje. Ze draaiden er dan cowboyfilms. Onderwijl
zaten we te snoepen.
Tijdens de oorlog werd de hele speeltuin betegeld en
kwam er een Joodse Markt. Ik dacht dat niet-Joden er wel
mochten komen, maar Joden mochten niet op de andere
markten.
Gevecht aan de Amstel
Het was aan het eind van een strenge oorlogswinter
(ik weet niet meer in welk jaar) en het begon al een
beetje te dooien, maar toch konden we nog op de Amstel
schaatsen. Het ging echter steeds moeilijker, door het
zacht wordende ijs en door de plassen, die erop stonden.
Op een gegeven moment, het was ter hoogte van
restaurant “Halfweg Kalfje”, zagen we een hele stoet
zwarthemden (leden van de NSB) naar buiten komen, die er
kennelijk hadden vergaderd. Zij liepen allen richting
Amsterdam. Opeens werd er op het ijs gejoeld en er werd
met “sneeuwballen” gegooid naar die kerels.
Zij lachten en dachten, dat zij voor de grap werden
bekogeld. Maar allengs werd de stemming grimmig en
werden er geen sneeuw- maar waterballen gegooid (dat
waren eigenlijk ijsballen).
Het regende van die ijskogels op die zwarthemden.
Plotseling kwamen zij in actie en renden het ijs op en
begonnen met zogenaamde ploertendoders in het rond te
slaan. Ik rende weg en zag links en rechts bebloede
mensen lopen. Hier kwam een stuk haat jegens die
collaborateurs tot uiting. Ik meen, dat dit geen verdere
gevolgen heeft gehad. Op zo’n moment merk je, ook als
een jongen van een jaar of dertien, wat een haat er in
je kan opkomen.
Japie
Japie was onze buurjongen na de overkant, hij was en
paar jaar ouder dan mijn vriendjes en ik. Hij speelde
niettemin graag met ons. Het was een intelligente
jongen, die al, naar ik meen cum laude, eindexamen had
gedaan voor de tweede OHS, een soort HBS (HAVO/VWO).
Japie was enig kind en zijn ouders waren, in mijn ogen
van toen, oude mensen.
Zij waren erg aardig en bezorgd over hun jongen. Ik
vroeg Japie op een dag of hij geen gevaar liep om
weggevoerd te worden. Neen, zei hij, ik werk momenteel
bij een Joodse Organisatie, waardoor ik voorlopig niet
weg hoef. (Ik weet het niet zeker, maar denk, dat hij
bij de Joodse Raad werkte).
Maar op een dag zagen we onraad aan de overkant. Er
stonden mensen voor het huis van Japie; z’n moeder stond
te huilen en z’n vader stond gelaten in de deuropening.
Even later zagen we Japie naar buiten komen met een
koffer. Hij nam afscheid van zijn vader en moeder en van
alle mensen, die om hem heen stonden. Japie liep weg,
richting Uiterwaardenstraat. Opeens riep z’n moeder
klagend: “Japie, kom terug!” “Moeder, ik kan niet”, zei
hij en hij liep door. Het werd stil. Opeens hoorden we
het stemmetje van mijn zusje, die zei: “Ik zal voor
Japie bidden en de Lieve Heer vragen of hij weer terug
komt”. Het maakte ontroering los bij een ieder, gelovig
of ongelovig.
Na nog wat gepraat, gingen de heer en mevrouw Wolf
naar binnen en de buurtbewoners vertrokken. Er gebeurde
een hele tijd niets. Je leefde van geruchten in die
tijd. Tot op een dag er bij ons werd aangebeld. Ik deed
open en mijn zusje liep me nieuwsgierig achterna. Wat
zagen wij? Onderaan de trap (wij woonden op 1- hoog)
stond Japie. Toen hij ons zag, rende hij naar boven, gaf
mijn zusje een paar dikke zoenen en zie: “Je gebedje is
verhoord, ik ben weer terug” en meteen gaf hij haar een
zakje snoep. Versteld waren wij, hoe kon dat? Maar ja,
Japie was weer terug en dat was het belangrijkste.
Helaas duurde de vreugde niet lang, want op een kwade
dag moest Japie toch naar de
Hollandsche Schouwburg (www.hollandscheschouwburg.nl), samen met zijn ouders. Wij
hebben nog afscheid van hen genomen. Ze waren
optimistisch: “We zijn gelukkig bij elkaar.” Ze hadden
rugzakken bij zich en bergstokken en op aanraden van
Japie hadden ze geld in hun kleren genaaid. Dit is alles
wat ik nog van deze mensen weet. We hebben er nooit meer
iets van vernomen.